Een Nederlander in Geteisterd België

image   
Een nederlander in geteisterd België 1914
SIMONS, L. (VOORW.).
Amsterdam, Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur, 1914.
Oorspr. omslag. 51 p.
Waarschijnlijke schrijver : L Grondijs

Getuigenverslag van de gruwelijke eerste weken der duitse bezetting met de verwoesting van Leuven e.d. Verschenen als een reeks anonieme brieven in de Nieuwe Rotterdammer Courant Ingenaaid, paperback

Afm ca 12 x 18 cm

Woensdag, 26 Augustus [1914]
’s Morgens om vier uur stond mijn gastheer al aan mijn bed. Een deel van de stad moest waarschijnlijk in brand staan. Gedurende den nacht had men telkens geschoten. Vluchtelingen hadden verteld, dat er lijken op de straat lagen. Het heele gezin had den nacht in het donker, wakende doorgebracht. Ik had van niets gemerkt. Prof. S. vroeg mij, daar zijn tegenwoordigheid thuis vereischt bleef, om het gezin gerust te stellen, de stad in te gaan, teneinde aan kennissen de gelegenheid aan te bieden, in zijn huis veiligheid te vinden, verder eenige inkoopen te doen van levensmiddelen, en ondertusschen eens op te nemen, wat er zoo al verbrand was. Ik kleedde mij snel aan en ging op weg. Onze geheele stadswijk, om de Schapenstraat heen, was gespaard gebleven. Tegen de ramen gedoken, zag men overal angstige gezichten van menschen, die den ganschen nacht hadden gewaakt, om gereed te zijn om te vluchten, zoodra hun leven zou worden bedreigd. Het brandende deel van Leuven bestond uit de geheele omgeving van het Hotel de Ville. Het brandde in de Krakenstraat, Drieengelenbuurt, de Groenmarkt. Toen ik naar het huis van de P.’s ging, werd ik door 5 soldaten aangehouden, die er geheel anders uitzagen, dan den vorigen dag. Ze waren verwilderd en liepen als beschonkenen. Zij bevalen mij dreigend, terstond van de straat af te gaan, waarop ik antwoordde, dat ik dadelijk bij den officier van de wacht wenschte te worden gebracht. Aan dezen vroeg ik, of er voor de burgers een order bestond, om ’s morgens bij lichten dag in huis te blijven. Het antwoord was ontkennend. Nauwelijks had de luitenant mijn pas gezien, of ik werd glimlachend vrijgelaten en de mannen, die me hadden aangehouden, kregen een schrobbeering. Daar ik geen lust had, elke 5 minuten weer naar de wacht te worden teruggestuurd door opgewonden militairen, vroeg ik om een Passierschein [=doorlaatpasje], maar hoffelijk bood de luitenant zijne verontschuldigingen aan, dat hij dien niet kon verstrekken. Daartoe moest ik mij tot den commandant, majoor von Manteuffel, persoonlijk wenden. Ik bezocht toen de familie P., om haar te verzoeken de gastvrijheid van prof. S. te willen aanvaarden, maar het echtpaar was druk bezig het huisraad in veiligheid te brengen en weigerde. Door ’t huis lag een slang van de brandspuit, waardoor ’t water naar ’t dak gevoerd werd, om van daar als een fijne sproeiregen aan alle zijden af te dalen. Het merkwaardige was dus, dat de Duitschers den voortgang van den door hen zelven aangestoken brand beletten door bluschmiddelen. De brandspuiten waren zóó opgesteld, dat het vuur zich niet in de richting van het stadhuis kon uitbreiden, waar de troepen gehuisvest waren. Naar andere richtingen zette de brand zich voort. De Hallen met de bibliotheek schijnen vroegtijdig in brand te zijn gestoken. Want het huis aan de eene zijde, als ik mij niet vergis het tehuis van de Spaansche studenten aan de Leuvensche Universiteit onder pater Catala, was nog gespaard. Van buiten de stad had men al vroeg en in ’t donkerste van den nacht in een hoog oprijzenden vuurzuil fladderende vonken gezien. Dit waren de incunabelen, de kostelijke livres d’heures [=getijdenboeken], zeldzame, pas ontdekte vroeg-middeleeuwsche manuscripten. Zoo wist men dus bijv. in ’t Convent des Prémontrés eerder dan in de stad, dat de weergalooze bibliotheek van Leuven, de trots en de roem van gansche arbeidzame geslachten, voor altijd was vernietigd. In sommige huizen, waarvan de muren nog overeind stonden, maar het dak begon door te branden, loeide het vuur omhoog. Andere stortten krakend en donderend ineen. Op de straten vertoonde zich geen mensch, dan de enkele soldaten, die te zorgen hadden, dat het vuur het stadhuis niet bereikte, en anderen, die met uitzinnigen blik wat doelloos heen en weer liepen. Op zulke oogenblikken, dat men als ’t ware de willekeur ziet regeeren en den eerbied voor alles wat voortreffelijk en kostelijk is met voeten getreden ziet, dan schijnt het leven alle waarde te verliezen. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat zij, die tegen den muur worden geplaatst om gefusilleerd te worden, in diepe verachting zwijgen, of hooghartige woorden spreken. Toen ik nogmaals door een paar soldaten werd aangehouden gooide ik ze nijdig mijn paspoort toe: ‘Dat kun je toch niet lezen, jou kerel’, en toen ze met hun geweren dreigden: ‘Breng me onmiddellijk naar de wacht, dan zullen wij zien, wat jullie voor een aframmeling krijgt.’ Toen lieten ze me gaan. In een brandend huis op de Groenmarkt zag ik door manschappen vuren. Hadden zij iemand gezien, die uit den vuurgloed ontsnappen wilde? Ik kwam voorbij een geopend winkelhuis; een soldaat trok mij bij den arm en liet mij op den grond wat zien: daar lag het lijk van den eigenaar. Ik vroeg: ‘Hebt gij dien man doodgeschoten?’ ‘Neen, maar ik was erbij. Wij zullen de Schweinehunden wel leeren, om op Duitsche soldaten te schieten.’ ‘Hoe weet gij, dat die man op jelui geschoten heeft?’ De man antwoordde met een wedervraag: ‘Hoe kunnen we dat in den donkeren nacht alles gaan onderzoeken?’ In dit korte antwoord ligt de gansche logica van de réprésaille tegen burgers opgesloten. Personalia Louis Grondijs (1878-1961)
L.H. Grondijs werd geboren in het voormalige Nederlands-Indië, waar hij ook zijn jeugd doorbracht. In het begin van de oorlog vertrok hij als oorlogscorrespondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant naar België. Zijn reisbrieven werden gebundeld in Een Nederlander in geteisterd België (Amsterdan, 1914). Hierboven staan enkele fragmenten daaruit die betrekking hebben op de geruchtmakende vergeldingsacties die Duitse troepen in de oude universiteitsstad Leuven ondernamen. In 1917 reisde Grondijs als verslaggever naar Sint Petersburg, daarna naar Siberië.

Na de oorlog ging hij aan de universiteit van Utrecht werken, maar in de jaren dertig reisde hij af naar Mantsjoerije toen Japan daar binnenviel. Ook bij de Spaanse Burgeroolog was hij aanwezig. Het bovenstaande fragment is afkomstig uit L.H. Grondijs – Episoden uit den Russischen revolutie-oorlog (1925). Over zijn ‘wonderbaarlijke leven’ is in 2005 een biografie verschenen van de hand van Hans Olink met als titel ‘De oorlogen van een Indische krijgsgod’.

In de Nieuwe Rotterdammer Courant van begin September verschenen, kort na het bericht van het onheil dat Leuven getroffen had, onder den titel ‘De tweede phase van den Oorlog’, een tiental brieven van een Noord-Nederlander, blijkbaar gestudeerd man en niet-katholiek, over wat hem kort voor en na Leuvens verwoesting, in en rondom die stad weervaren was. Wat hij meegemaakt had van ruwe barbaarschheid en hoogere menschelijkheid; wat hij zelf, kloekmoedig-rustig optredend te midden der elkaar vijandelijken in het geteisterd België, had kunnen voorkomen en niet-voorkomen; hoe hij een paar der edelste geesten der Leuvensche Universiteit van een zekeren dood had weten te redden. Enz. En dat alles bezien en beschreven in den geest der meest hoogstaande neutraliteit: onverschrokken en eerlijk sprekend van het leelijke en mooie, en zonder een zweem van zelfverheffing om den betoonden tact, moed en volharding onder de moeilijkste omstandigheden. In elk opzicht leken mij deze brieven van te hooge waarde om niet te beproeven hun een wijder en zekerder bekendheid te geven dan alleen een politiek dagblad bieden kon. Hier was een volkomen onbevangen getuigenis van een ooggetuige, die zijn gemoedsrust had weten te bewaren onder al het waargenomen leed; die niet overdreef en niet valsch moet gezien hebben. Hier was aan het woord een landgenoot van de daad, die de voorrechten van den neutrale had weten ten goede te doen komen aan de door den overwinnaar geteisterde; een treffelijk voorbeeld van Nederlandsche kloekheid en bezonnenheid te midden van uiterst gevaarlijke omstandigheden. Een Nederlander, die Belgen beschermt; een protestant met grooten eerbied voor katholieke geestelijken, rusteloos in de weer om hen te redden. In deze tijden van eindeloos misverstand en volkerenhaat verkrijgt een dusdanig optreden de hoogste waarde als teeken dat de ruime en moedige menschlievendheid geenszins uitgestorven is. Wij moeten nu tegenover al wat de strijdenden onderling leelijks en afschuwelijks van elkaar, en moois van zichzelf vertellen, zooveel mogelijk alles helpen verbreiden wat bewijzen kan dat toch datgene wat ons allen als het hoogste gegolden heeft, is blijven leven onder de beestelijkheden van dezen verbitterden krijg. En ik reken het mij aldus tot een eer, deze brieven afzonderlijk te mogen uitgeven, gelaten in den vorm van het oogenblik, waarin de schrijver ze onder den druk der omstandigheden gegoten had.
L. SIMONS.